Rotterdam The Hague Airport (RTHA) moet uiterlijk 30 april 2027 een luchthavenbesluit hebben. Dat is geen politieke wens, maar een opdracht van de Raad van State (RvS). De Kroon moet vóór die datum een luchthavenbesluit vaststellen en bekendmaken. Doet zij dat niet, dan verbeurt zij een dwangsom van €1.000 per dag, met een maximum van €150.000. Daarmee is een juridisch probleem uit het verleden eindelijk voorzien van een harde deadline.
Op 16 april jl. oordeelde de rechtbank Gelderland dat de minister een nieuw besluit moet nemen op het verzoek van MOB en BTV tot het beperken van de activiteiten van de luchthaven. De rechtbank gaf de minister 8 weken. De minister is daartegen bij de voorzieningenrechter (een spoedprocedure) in beroep gegaan. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van de minister toegewezen en de uitspraak van de rechtbank Gelderland geschorst.
De voorzieningenrechter baseert deze uitspraak op de uitleg in een andere procedure (RvS 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4431). Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betekent deze uitleg dat de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 Wet natuurbescherming (Wnb) is bedoeld voor activiteiten waarvoor op grond van de Wnb geen andere instrumenten ter regulering van activiteiten beschikbaar zijn. Gelet op het feit dat de rechtbank Gelderland op 16 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2962) heeft geoordeeld dat de minister ten onrechte heeft besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor de exploitatie van de luchthaven, twijfelt de voorzieningenrechter aan de juistheid van de uitspraak van de rechtbank dat de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 Wnb van toepassing is.
Doorgaan en wachten tegelijk
Op het eerste gezicht lijkt hier sprake van twee tegenstrijdige boodschappen van dezelfde rechter. Aan de ene kant moet de overheid voortvarend een luchthavenbesluit vaststellen. Aan de andere kant mag RTHA voorlopig doorgaan met de exploitatie van de luchthaven zonder natuurvergunning. De eerste uitspraak gaat over het jarenlang uitblijven van het luchthavenbesluit dat op grond van de Wet luchtvaart verplicht is. De tweede uitspraak gaat over de toepassing van de Wet natuurbescherming en de vraag welke juridische instrumenten daarvoor beschikbaar zijn. De Raad van State behandelt die kwesties afzonderlijk. Dat neemt niet weg dat de combinatie van beide uitspraken voor de omgeving van RTHA een opmerkelijke uitkomst heeft. Zolang de exploitatie op de huidige voet doorgaat, blijven ook de activiteiten doorgaan die geluidoverlast, uitstoot en stikstofdepositie veroorzaken.
De minister beschouwt de aanvraag van een natuurvergunning en de aanvraag van het luchthavenbesluit als twee gescheiden trajecten. Dat is volgens ons onjuist. Wij hebben de minister daarop gewezen in onze zienswijze en in onze brief van 2 september 2026. aan de commissie van Infrastructuur en Waterstaat naar aanleiding van de antwoorden van de minister op de vragen van de commissie. In deze brief maken wij nogmaals duidelijk dat in het kader van het MER de effecten op de natuur wel degelijk beoordeeld moeten worden. Dat is nu niet gebeurd. Met andere woorden, de minister kan volgens BTV en MOB geen luchthavenbesluit nemen op grond van het huidige MER van RTHA.
RTHA draait al twaalf jaar op een ‘tijdelijke’ regeling
De achtergrond van het luchthavenbesluit is veelzeggend. Volgens de Raad van State had voor Rotterdam uiterlijk op 1 november 2014 een luchthavenbesluit moeten zijn vastgesteld. Dat is niet gebeurd. De luchthaven opereert sindsdien op basis van de tijdelijke Omzettingsregeling. De Raad van State stelde in november 2025 vast dat de Kroon ten onrechte niet tijdig een luchthavenbesluit had vastgesteld. Daarbij woog ook mee dat de overheid de afgelopen jaren onvoldoende voortvarend had gehandeld.
De nu opgelegde termijn tot 30 april 2027 is dus geen nieuwe beleidskeuze van de overheid. Het is een door de rechter afgedwongen uiterste datum. De dwangsom is bedoeld om naleving van die uitspraak af te dwingen. Deze dwangsom gaat lopen zodra de termijn wordt overschreden. Het is dus niet zo dat er vanaf deze datum automatisch €1.000 per dag wordt betaald aan de BTV-Rotterdam.
Oud probleem herhaalt zich
De deadline van 30 april 2027 lost niet automatisch het natuurrechtelijke probleem op. De Kroon moet vóór die datum een luchthavenbesluit vaststellen, maar de Raad van State heeft tegelijkertijd nog geen definitief oordeel gegeven over de natuurvergunningplicht van RTHA. Daarmee dreigt een merkwaardige situatie: de overheid moet een juridisch ontbrekend luchthavenbesluit alsnog produceren, terwijl een andere juridische vraag — onder welke natuurrechtelijke voorwaarden de luchthaven mag worden geëxploiteerd — nog bij dezelfde rechter ligt.
Daarmee is de vraag niet alleen óf er vóór 30 april 2027 een luchthavenbesluit ligt, maar ook wat de juridische betekenis daarvan is zolang de natuurrechtelijke positie van RTHA nog niet definitief is vastgesteld. Een nieuw besluit mag geen doekje worden voor een oud probleem: het jarenlang voortzetten van de exploitatie zonder dat alle noodzakelijke wettelijke kaders daadwerkelijk zijn uitgekristalliseerd.
Natuurvergunning: eerst moet de juridische knoop worden doorgehakt
De uitspraak van de voorzieningenrechter hangt samen met twee andere procedures die MOB en BTV hebben aangespannen: (1) een handhavingsverzoek omdat RTHA de luchthaven zonder natuurvergunning exploiteert en (2) de aanvraag voor een natuurvergunning door RTHA voor de exploitatie van de luchthaven.
De uitspraak van de voorzieningenrechter gaat dus niet over de vraag of RTHA een natuurvergunning nodig heeft. De voorzieningenrechter heeft alleen voorlopig geoordeeld dat de samenhangende rechtsvragen eerst moeten worden uitgezocht. De bodemprocedure over de natuurvergunningplicht, de handhavingszaak en deze zaak zullen naar verwachting gezamenlijk worden behandeld.
Geen verbetering voor mens en milieu
En daar zit voor omwonenden en de leefomgeving de kern van het probleem. We verwachten dat de zitting in deze juridische procedures pas over een jaar of nog later zal worden gepland. Ondertussen gaat RTHA onverminderd door met haar activiteiten. De uitstoot stopt daardoor niet. De geluidbelasting stopt niet. De stikstofdepositie verdwijnt niet. Het feit dat er procedures lopen, verandert op zichzelf niets aan de fysieke gevolgen van de luchthaven.
Dat is geen oordeel over de juridische juistheid van de uitspraken. De rechter moet nu eenmaal de verschillende wettelijke regimes en procedures toepassen. Maar het is wél een feitelijke consequentie die in het maatschappelijke debat gemakkelijk uit beeld raakt: een procedurele vertraging is geen milieumaatregel.
Tijd kopen is geen oplossing
Daarmee ontstaat een merkwaardige situatie. De overheid heeft inmiddels een harde rechterlijke deadline om het luchthavenbesluit vast te stellen, terwijl een belangrijk deel van het natuurdossier nog onderwerp is van verdere juridische beoordeling. Het luchthavenbesluit kan daardoor in een juridische werkelijkheid worden voorbereid waarin nog niet alle vragen over de natuurrechtelijke positie van de luchthaven definitief zijn beantwoord. Minister Karremans bevindt zich dus in een spagaat.
Als de minister vasthoudt aan zijn standpunt dat er een definitief luchthavenbesluit kan komen zonder de uitspraak van de Raad van State over de natuurvergunning af te wachten, is dit luchthavenbesluit vatbaar voor vernietiging door de Raad van State.
Bronnen voor onderaan het artikel:
De BTV voorziet grote rechtszaken die nodig zijn om onze leden te beschermen tegen een falende overheid. Doneer daarom royaal om onze (en dus jouw) strijd te borgen! (Alle donaties zijn fiscaal aftrekbaar)