Waarom zou het belang van een (vakantie)vliegveld zwaarder wegen dan dat van een boer?
Rechter trekt juridische basis onder luchthavenbeleid weg, maar minister Van Essen kiest voor uitstel in plaats van handhaving.
Juridisch klem
De Nederlandse luchtvaart zit juridisch klem. Rotterdam The Hague Airport (RTHA), Eindhoven Airport en Lelystad Airport beschikken niet over de natuurvergunning die voor hun huidige activiteiten nodig is. Toch blijven de luchthavens vluchten facciliteren. Minister Jaimi van Essen kiest daarbij niet voor een snelle oplossing van het probleem, maar voor een tijdelijke constructie met emissieplafonds.
Voor Rotterdam The Hague Airport is dat extra wrang. De Rechtbank Gelderland oordeelde op 16 april 2026 dat RTHA wél een natuurvergunning nodig heeft. Het eerdere besluit van de minister dat die vergunning niet nodig zou zijn, werd vernietigd. Dit betreft de zogeheten ‘positieve weigering’. Ook het maatwerkvoorschrift waarmee de minister een stikstofplafond aan RTHA had opgelegd, werd van tafel geveegd.
Toch doet Van Essen nu in feite opnieuw hetzelfde: de luchthaven krijgt voor 2026 en 2027 een emissieplafond en mag binnen die grens blijven opereren. De definitieve natuurvergunning moet later komen. Dat is geen oplossing. Het is uitstelbeleid.
De rechter was duidelijk
De minister had in 2024 bepaald dat RTHA geen natuurvergunning nodig had omdat de luchthaven zou kunnen terugvallen op bestaande rechten. De rechtbank heeft daar korte metten mee gemaakt. Door de groei en uitbreiding van de luchthaven is volgens de rechtbank geen sprake meer van één en hetzelfde project. Een nieuwe natuurvergunning is daarom noodzakelijk. Ook de poging van de toenmalige minister om met een apart maatwerkvoorschrift de stikstofuitstoot van RTHA te begrenzen, sneuvelde. De rechtbank oordeelde dat daarvoor geen wettelijke basis bestond, omdat de activiteit juist vergunningplichtig is. Daarmee ligt de juridische situatie helder op tafel: RTHA heeft een natuurvergunning nodig en heeft die niet.
Toch blijft de luchthaven gewoon functioneren.
Eerst een plafond, later de natuurtoets
De nieuwe oplossing van minister Van Essen is opmerkelijk. Voor RTHA wordt het emissieplafond gebaseerd op de eerder ingediende vergunningaanvraag en de daarbij gebruikte referentiesituatie. Juist de gedachte dat RTHA op basis daarvan zonder natuurvergunning kon opereren, is door de rechter afgewezen.
De minister blijft de cijfers echter gebruiken om vast te stellen hoeveel stikstof de luchthaven voorlopig mag uitstoten.
Niets getoetst
Nog opvallender is dat de minister erkent dat de emissieplafonds niet vooraf zijn getoetst aan de instandhoudingsdoelen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Die beoordeling moet volgens hem plaatsvinden bij de toekomstige vergunningverlening. De volgorde is daarmee omgedraaid: eerst wordt bepaald hoeveel stikstof RTHA nodig heeft om te kijken blijven draaien, daarna wordt onderzocht of de natuur dat eigenlijk kan verdragen. Dat is moeilijk te rijmen met het uitgangspunt van de natuurwetgeving dat de gevolgen voor beschermde natuur vooraf moeten worden beoordeeld.
Gedogen onder andere naam
Van Essen benadrukt dat de emissieplafonds geen gedoogregeling zijn. Formeel kan hij dat zo noemen. Maar voor de praktijk maakt het weinig verschil. Een luchthaven heeft geen natuurvergunning, mag toch blijven vliegen en krijgt van de overheid een tijdelijke bovengrens voor de stikstofuitstoot. Bij overschrijding kan worden gehandhaafd. Voor de rest wordt de definitieve oplossing doorgeschoven naar 2028. Het nieuwe etiket verandert de werkelijkheid niet.
Het is een bestuurlijke noodconstructie waarmee een juridisch probleem tijdelijk beheersbaar wordt gemaakt en de vervuilende vliegindustrie te blijven beschermen. De minister koopt daarmee tijd voor de luchtvaartsector, terwijl nog helemaal niet vaststaat dat de benodigde natuurvergunningen daadwerkelijk kunnen worden verleend.
RTHA kan voorlopig niet verder groeien
Voor RTHA heeft het plafond bovendien een duidelijke consequentie. Van Essen stelt dat groei van het aantal vluchten in 2026 en 2027 uitgesloten is. Vliegtuigen worden weliswaar stiller, maar kunnen tegelijkertijd meer stikstof uitstoten. Daardoor kan een groeiend aantal vliegbewegingen tegen het emissieplafond aanlopen. Dat is een opmerkelijke uitkomst voor een luchthaven waarvan de politieke toekomst de afgelopen jaren juist sterk in het teken heeft gestaan van groei.
Het laat zien waar het echte probleem zit: de grenzen aan de luchthaven worden niet langer alleen door geluid bepaald, maar steeds nadrukkelijker door stikstof en de juridische bescherming van de natuur.
Een emissieplafond is daarbij geen groeivergunning. Het is hooguit een tijdelijke bovengrens zolang de juridische basis voor de exploitatie opnieuw moet worden vastgesteld.
Voor boeren gelden andere regels
De politieke ongelijkheid wordt pijnlijk zichtbaar wanneer de luchtvaart wordt vergeleken met andere sectoren. Boeren worden geconfronteerd met vergunningproblemen, emissiebeperkingen, gebiedsgerichte maatregelen en de verplichting om iedere uitbreiding juridisch en ecologisch te onderbouwen. De luchtvaart krijgt ondertussen een tijdelijke buffer: geen natuurvergunning, wel blijven vliegen, en ondertussen wachten op nieuwe besluiten. Dat is geen neutrale toepassing van de wet. Het is een politieke keuze.
Wanneer economische belangen zwaar genoeg wegen om handhaving bij een luchthaven uit te stellen, ontstaat vanzelf de vraag waarom diezelfde redenering niet veel ruimer wordt toegepast. Waarom zou het belang van een luchthaven zwaarder wegen dan dat van een boer die probeert binnen de grenzen van de wet zijn bedrijf voort te zetten?
Als dezelfde stikstofregels voor iedereen gelden, moet ook de overheid consequent zijn.
Van Essen kiest voor tijd kopen
Het beleid van minister Van Essen lost het fundamentele probleem niet op. Hij verplaatst het.
De rechter heeft de eerdere juridische constructie rond RTHA vernietigd. De minister moet daarom opnieuw naar de vergunningverlening en de handhaving kijken. In plaats daarvan wordt de luchthaven voorlopig in een soort juridische wachtkamer geplaatst. 2026 en 2027 worden overbrugd met emissieplafonds. Vanaf 2028 wordt gerekend op nieuwe natuurvergunningen. Maar een politieke verwachting is nog geen vergunning.
En zolang die vergunning er niet is, blijft de fundamentele vraag overeind: op welke juridische basis mag Rotterdam The Hague Airport zijn huidige activiteiten voortzetten?
Voor BTV-Rotterdam is dat geen theoretische discussie. Het gaat om rechtsgelijkheid, natuurbescherming en de geloofwaardigheid van de overheid. De minister kan de situatie ingewikkeld noemen. Hij kan spreken over bestaande rechten, emissieplafonds en toekomstige vergunningverlening. Maar daarmee verandert de uitspraak van de rechter niet.
RTHA heeft een natuurvergunning nodig. Die is er niet.
De rest is vooral politiek uitstel. Het ontbreken van de natuurvergunning maakt het afgeven van een luchthavenbesluit (LHB) een stuk ingewikkelder, zo niet onmogelijk.
Bronnen
- Rechtbank Gelderland, uitspraak van 16 april 2026 over Rotterdam Airport: Rechtspraak – Wél natuurvergunning nodig voor Rotterdam en Eindhoven Airport
- Rechtbank Gelderland, volledige uitspraak over Rotterdam Airport: ECLI:NL:RBGEL:2026:2962
- Tweede Kamer, vragen en antwoorden over de nieuwe besluiten voor Eindhoven, Rotterdam The Hague en Lelystad Airport: Kamerstuk 2026D39047 – vragen en antwoorden
- Raad van State, gewijzigde rechtspraak over intern salderen: Rechtspraak over intern salderen wijzigt
- Ministerie van LVVN, Kamerbrief over de gevolgen van de uitspraken voor de luchthavens: Kamerstuk 31936, nr. 1270