De Rechtbank besloot dat RTHA en Eindhoven wél een Natuurvergunning nodig hebben.
Wél natuurvergunning nodig voor Rotterdam en Eindhoven Airport
Verschillende natuurorganisaties vochten bij de rechtbank besluiten van de minister aan over Rotterdam Airport en Eindhoven Airport. Zij vinden dat de activiteiten van de luchthavens te veel gevolgen hebben voor de natuur en dat daarom een natuurvergunning nodig is. Ook wilden zij dat de minister de luchthavens aan banden legt zolang die vergunning er niet is. De minister stelde dat de luchthavens gebruik konden maken van eerder gegeven toestemmingen zodat geen natuurvergunning nodig was, maar de rechtbank volgt dat standpunt niet. Ook oordeelt de rechtbank dat de minister opnieuw moet kijken of het nodig is handhavend op te treden tegen de luchthavens. Dit betekent dat er opnieuw moet worden besloten op de verzoeken van de natuurorganisaties.
In 2020 vroegen Eindhoven Airport en Rotterdam Airport bij de minister een natuurvergunning aan voor de exploitatie van de luchthavens. Toen verlening van deze vergunningen uitbleef, verzochten natuurorganisaties Stichting Brabantse Milieufederatie; Vereniging Natuurmonumenten; Mobilistation for the Environment; Bewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast aan de minister voor Natuur en Stikstof (tegenwoordig: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) in 2022 om handhavend op te treden tegen de luchthavens.
De minister voor Natuur en Stikstof nam vervolgens in 2023 en 2024 verschillende besluiten over deze luchthavens. Zij wilde niet handhavend optreden, omdat er al wel een ontwerp van de natuurvergunning was gepubliceerd en er volgens haar dus concreet zicht was op legalisering. In 2024 constateerde zij dat een natuurvergunning toch niet nodig was, omdat de luchthavens gebruik konden maken van eerder vergunde rechten. Om zeker te zijn dat dit ook gebeurde, besloot zij in een maatwerkbesluit dat de luchthavens niet meer stikstof mochten uitstoten dan een door haar bepaalde bovengrens. Verzoeken van de natuurorganisaties om de oude toestemmingsbesluit in te trekken of het aantal vluchten te beperken, wees zij af. De rechtbank behandelde de beroepen tegen al deze besluiten tegelijk op een zitting en doet vandaag uitspraak.
Vliegvelden hebben natuurvergunning nodig
Eindhoven Airport en Rotterdam Airport dienden in 2020 een aanvraag in bij de minister voor een natuurvergunning. Op 17 juni 2024 besloot de minister dat voor de exploitatie van Rotterdam Airport en voor de burgerluchtvaart op Eindhoven Airport geen natuurvergunningen nodig zijn. Wel legde de minister op dezelfde dag maatwerkvoorschriften aan de luchthavens op. In deze maatwerkvoorschriften legde de minister onder meer de bovengrens voor de stikstofuitstoot van de luchthavens vast.
De rechtbank volgt de minister niet in haar standpunt dat de luchthavens geen vergunningen nodig hebben. Gebruik maken van eerder verleende toestemmingen kan alleen als die zijn verleend voor dezelfde activiteiten. Het moet dan om “één-en-hetzelfde project” gaan. De rechtbank oordeelt dat door de groei en uitbreiding luchthavens niet aan deze eis wordt voldaan, zodat er nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Als de staatssecretaris alsnog natuurvergunningen wil verlenen voor de aangevraagde projecten, dan moeten er passende beoordelingen worden opgesteld met een zogenoemde additionaliteitstoets. Dat betekent dat hij de gevolgen voor de natuur in kaart moet brengen én moet uitleggen dat de stikstofruimte die hij vergunt aan de luchthavens, niet nodig is voor herstel van de natuur.
Maatwerkvoorschriften
Ook vernietigt de rechtbank de maatwerkvoorschriften. Volgens de rechtbank was de minister niet bevoegd om deze maatwerkvoorschriften aan de luchthavens op te leggen. Zij had deze bevoegdheid alleen als de activiteiten op de luchthavens niet gereguleerd konden worden met een natuurvergunning, maar dat kan wel.
Handhavingsverzoeken
Wat betreft de handhavingsverzoeken oordeelt de rechtbank dat de minister de belangenafweging niet goed heeft uitgevoerd. Zij wilde niet optreden omdat dat voor de exploitatie van de luchthavens grote financiële en maatschappelijke gevolgen zou hebben.
De rechtbank oordeelt dat de minister de betrokken belangen niet goed afwoog. Zij kende in zijn belangenafweging onvoldoende gewicht toe aan het feit dat op het moment van de beslissing op bezwaar inmiddels zo’n 2,5 jaar was verstreken en dat de ontwerpen nog altijd niet definitief waren en ook niet bekend was wanneer de aangevraagde natuurvergunningen zouden worden verleend.
De staatssecretaris moet daarom opnieuw een belangenafweging maken over het wel of niet handhavend optreden tegen de luchthavens. Omdat de besluiten dat geen natuurvergunning is vereist voor de luchthavens door de rechtbank zijn vernietigd, ziet de rechtbank geen mogelijkheden om de zaak geheel af te doen. De rechtbank draagt daarom de staatssecretaris op om binnen acht weken nieuwe besluiten te nemen over de handhavingsverzoeken.
Opnieuw beslissen over weigeringsbesluiten
De rechtbank oordeelt verder dat de staatssecretaris de weigeringsbesluiten - om oudere natuurtoestemmingen van deze luchthavens in te trekken - onvoldoende motiveerde. Dit betekent dat de staatssecretaris ook nieuwe besluiten moet nemen over de verzoeken om de natuurtoestemmingen van deze luchthavens in te trekken.
Bron: Rechtspraak 16 april 2026.