Volgens BTV en MOB is de verleende revisievergunning in strijd met wet- en regelgeving.
De Bewoners Tegen Vliegtuigoverlast Rotterdam The Hague Airport (BTV) en de milieuorganisatie Mobilisation for the Environment (MOB) hebben beroep ingesteld tegen de onlangs verleende omgevingsvergunning voor de grondgebonden activiteiten van Rotterdam The Hague Airport (RTHA). De organisaties vinden dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam juridisch en inhoudelijk ernstige gebreken vertoont.
Volgens BTV en MOB is de verleende revisievergunning in strijd met wet- en regelgeving. In het meer dan vijftig pagina’s tellende beroepschrift voeren de organisaties aan dat het college van B&W niet bevoegd was om de vergunning te verlenen, dat de natuurwetgeving is genegeerd, en dat de milieuonderzoeken naar geluid, geur en luchtkwaliteit ernstige tekortkomingen bevatten.
Gemeente niet bevoegd
Een van de belangrijkste bezwaren betreft de vraag wie de vergunning had mogen verlenen. Uit het Besluit omgevingsrecht blijkt dat bij inrichtingen waar straalmotoren worden beproefd – zoals bij RTHA – niet de gemeente, maar de provincie het bevoegd gezag is. Omdat het proefdraaien van vliegtuigmotoren een vast onderdeel vormt van de bedrijfsvoering, had de aanvraag volgens de organisaties naar Gedeputeerde Staten moeten worden doorgestuurd. Dat is niet gebeurd.
Ontbrekende natuurvergunning
Ook de natuurbescherming vormt een belangrijk twistpunt. RTHA diende in 2020 een aanvraag in voor een natuurvergunning, maar die werd in 2024 door het ministerie “positief geweigerd”. Inmiddels heeft de Raad van State in de zogenaamde Rendac-uitspraak bepaald dat deze werkwijze niet langer toegestaan is. Daardoor blijkt dat RTHA alsnog een geldige natuurvergunning nodig heeft. Omdat er bij het nemen van het besluit geen aanvraag lag, had de vergunning volgens BTV en MOB niet verleend mogen worden.
Onduidelijkheid over activiteiten
Daarnaast ontbreekt volgens de organisaties duidelijkheid over wat er precies wordt vergund. De aanvraag, de onderzoeken en het besluit spreken elkaar tegen over de aard en omvang van de activiteiten. Dat leidt tot rechtsonzekerheid: het is onduidelijk of de vergunning alleen bestaande activiteiten vastlegt of ook uitbreidingen toestaat, zoals een grotere bagagehal, extra tankwagens en een verplaatste brandweerkazerne.
Geluid, geur en luchtkwaliteit
Op milieutechnisch vlak schieten de onderzoeken eveneens tekort. De geluidgrenzen zouden niet aansluiten bij de berekeningen; sommige waarden overschrijden al in de berekeningen de toegestane 50 dB(A), terwijl de vergunning lagere grenswaarden oplegt zonder toelichting. Ook de piekgeluidsniveaus liggen volgens de indieners buitensporig hoog.
Bij het geuronderzoek constateren de organisaties dat de gemeten waarden niet overeenkomen met de groeiende klachtenstroom uit de omgeving. Er is volgens hen ten onrechte niet onderzocht waarom de berekende en de ervaren hinder zo uiteenlopen. De voorgeschreven maatregelen – zoals een vijfjaarlijks geuronderzoek – zijn volgens BTV en MOB onvoldoende om de overlast te verminderen.
Ook de luchtkwaliteit is volgens het beroepschrift gebrekkig onderbouwd. Een volwaardig rapport ontbreekt, terwijl de vergunning bovendien in strijd zou zijn met de nieuwe Europese luchtkwaliteitsrichtlijn (2024/2881). Daarnaast is onvoldoende onderbouwd waarom niet overal de Best Beschikbare Technieken zijn toegepast om schadelijke emissies te beperken.
Conclusie
BTV en MOB spreken van een vergunning “op drijfzand”: verleend door een onbevoegd bestuursorgaan, zonder natuurvergunning, met tegenstrijdige gegevens en gebrekkige milieuonderzoeken. De rechtbank Rotterdam zal zich de komende tijd over de zaak buigen.
Bron: BTV-Rotterdam en SchipholWatch